Hoe een van de mooiste ramen van Matthieu Wiegman dreigt te verdwijnen

Het dreigde geruisloos te gaan, de vernietiging van het glas in lood van Matthieu Wiegman in de Valeriuskliniek. Er stonden wat berichten op Twitter maar eigenlijk kon niemand zich voorstellen, dat dit echt zou gebeuren.* Het Cuypersgenootschap en Heemschut pikten het signaal op en kwamen tot de conclusie, dat het wel degelijk zo ernstig was als werd gevreesd. Het zal niet de laatste keer zijn dat er loze beloftes worden gedaan om een kunstwerk te behouden door herintegratie. Er wordt niet gemonitord, er wordt niet gehandhaafd en ondertussen raakt het werk in kwestie beschadigd, omdat het op een respectloze manier slordig is opgeslagen. Hierna volgen drie stukken die het belang van het behoud van dit werk van Wiegman onderstrepen:

  • de adhesie van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici van 16 maart 2017.
  • de adhesie van 10 toonaangevende (oud)museumdirecteuren van 17 februari 2017.
  • de brief van het Cuypersgenootschap en Heemschut aan de gemeente Amsterdam met het verzoek in te grijpen van 19 januari 2017. 

Wie volgt!

David Mulder en Bernadette van Hellenberg Hubar


Brief Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici (VNK) 

Het bestuur van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici (VNK) ondersteunt van harte het appel dat de Erfgoedvereniging Bond Heemschut en de Stichting het Cuypersgenootschap (brief van 20 januari jl.) en een groot aantal (oud)directeuren van Nederlandse musea (brief van 17 februari 2017) op u hebben gedaan tot behoud van het monumentale raam van Matthieu Wiegman. Dit raam bevond zich vanaf 1938 tot kort geleden in de Valeriuskliniek, maar is nu opgeslagen zonder uitzicht op herplaatsing.

De VNK, opgericht in 1939, is een vereniging van kunsthistorici werkzaam in de sectoren universiteiten, musea, erfgoed, kunsthandel, educatie en zelfstandigen. Vanuit onze betrokkenheid bij een verantwoord behoud en beheer van kunstobjecten en cultureel erfgoed gaat het ons zeer ter harte dat een kunstwerk van een dergelijke schoonheid en betekenis met teloorgang wordt bedreigd en daarmee aan toekomstige generaties wordt onthouden.

Wij hoeven de argumentatie van Heemschut, het Cuypergenootschap en de (oud)museumdirecteuren niet in haar geheel te herhalen, maar willen vooral de zeer grote kunst- en cultuurhistorische waarde van dit raam benadrukken. Het is, met zijn omvang, artistieke en technische kwaliteiten, niet alleen een hoofdwerk binnen het oeuvre van een vooraanstaande twintigste-eeuwse kunstenaar, maar behoort tevens tot de belangrijkste glas- in-loodramen die in Nederland tijdens het interbellum zijn vervaardigd. De ondergang ervan zal voor de Nederlandse kunstgeschiedenis van de twintigste eeuw een onherstelbaar verlies betekenen.

Wanneer het raam niet teruggeplaatst wordt in het complex dat op de plaats van de Valeriuskliniek gaat verrijzen, zal het - zoals de eerdergenoemde organisaties naar voren brengen - vrijwel onmogelijk zijn om er een andere bestemming voor te vinden. Het glas-in- loodraam, ooit bedoeld als ‘vreugdevolle’ aanwinst voor deze plek, hoort hier ook behouden te worden. Wij zijn dan ook van oordeel dat het onjuist en onverantwoord is om in deze kwestie die zozeer het behoud van Nederlands cultureel erfgoed betreft een projectontwikkelaar het laatste woord te geven. Wij doen daarom een dringend beroep op u om het tij te keren en wat van waarde is niet weerloos te laten zijn.

Met vriendelijke groeten,

Namens het bestuur van de VNK,

Annette de Vries voorzitter

Matthieu Wiegman 1937 (foto Spaarnestad)

Matthieu Wiegman aan het werk met een van de kartons voor de glazen voor de Valeriuskliniek (foto Spaarnestad 1937).


Brief van de museumdirecteuren aan de gemeente Amsterdam

Van harte willen wij, (oud)directeuren van Nederlandse musea, het appel ondersteunen dat de Erfgoedvereniging Bond Heemschut en de Stichting het Cuypersgenootschap in hun brief van 20 januari jl. op u hebben gedaan tot behoud van het monumentale raam van Matthieu Wiegman, dat zich vanaf 1938 tot kort geleden in de Valeriuskliniek heeft bevonden maar nu is opgeslagen zonder uitzicht op herplaatsing.

Vanuit onze betrokkenheid met het behoud en beheer van objecten binnen een museale omgeving gaat het ons zeer ter harte dat een kunstwerk van een dergelijke schoonheid en betekenis de zorg moet ontberen die werken in een museum wél ten deel vallen en dat het met teloorgang wordt bedreigd.

Wij hoeven de argumentatie van Heemschut en het Cuypergenootschap, waar we volledig achter staan, niet in haar geheel te herhalen, maar willen vooral de zeer grote kunsthistorische waarde van dit raam benadrukken. Het is, met zijn omvang, artistieke en technische kwaliteiten, niet alleen een hoofdwerk binnen het oeuvre van een vooraanstaande twintigste-eeuwse kunstenaar, maar behoort tevens tot de belangrijkste glas-in-loodramen die in Nederland tijdens het interbellum zijn vervaardigd. De ondergang ervan zal voor de Nederlandse kunstgeschiedenis van de twintigste eeuw een onherstelbaar verlies betekenen dat generaties chroniqueurs en andere kenners van de Nederlandse moderne kunst met ongeloof en verontwaardiging zal vervullen hoe zoiets heeft kunnen gebeuren.

Wanneer het raam niet teruggeplaatst wordt in het complex dat op de plaats van de Valeriuskliniek gaat verrijzen, zal het, zoals Heemschut en het Cuypergenootschap naar voren brengen, vrijwel onmogelijk zijn om er een andere bestemming voor te vinden, hetgeen het einde van het raam zou betekenen.
Het is daarom niet te begrijpen dat bij een kwestie die zozeer het behoud van Nederlands cultureel erfgoed betreft een projectontwikkelaar de vrije hand is gelaten om zijn persoonlijke smaak te volgen. Deze projectontwikkelaar, de DeJonggroep, rechtvaardigt, in zijn Nieuwsbrief van 31 januari, zijn onwil om het raam terug te plaatsen met de redenering dat het niet past bij ‘een transparant en blij gebouw, dat niet meer aan een ziekenhuis doet denken’. Wiegman wilde met het raam, dat hij een arcadische thematiek gaf en uitvoerde in een feest van vrolijke kleuren, die naar boven toe steeds lichter worden, de beschouwers juist blij maken en hen de ziekenhuisomgeving doen vergeten. Het gemak waarmee de projectontwikkelaar het karakter van het kunstwerk onrecht doet door het connotaties toe te schrijven die het juist niet bezit, illustreert weer eens, om met de dichter te spreken, hoe weerloos iets van waarde is is. En dat is helemaal zo als er geen andere bevoegden blijken te zijn die de waarde van dit kunstwerk willen erkennen en beschermen.
Wij doen een dringend beroep op u om het niet zover te laten komen, maar recht te doen aan wat van waarde is.

Met vriendelijke groeten,

Andreas Blühm, directeur Groninger Museum

Taco Dibbits, hoofddirecteur Rijksmuseum Amsterdam

Mariette Dölle, directeur museum Kranenburgh Bergen

Sjarel Ex, directeur Museum Boijmans Van Beuningen

Lidewij de Koekoek, algemeen directeur Museum Het Rembrandthuis

Jan Piet Filedt-Kok, ouddirecteur collecties Rijksmuseum Amsterdam

Meta Knol, directeur Museum De Lakenhal, Leiden

Hans Locher, ouddirecteur Gemeentemuseum Den Haag

Patrick van Mil, directeur Stedelijk Museum Alkmaar

Henk van Os, oud-hoofddirecteur Rijksmuseum Amsterdam

Matthieu Wiegman, Mariaraam Obrechtkerk, 1936, uit 'De genade van de steiger', 2013 (screenshot bvhh.nu)

Matthieu Wiegman was een begaafde glaskunstenaar, zoals het iets oudere Mariaraam in de Amsterdamse Obrechtkerk uit 1936 eveneens laat zien. Karakteristiek is de behandeling van glas in lood als een vorm van mozaïek wat ook gebeurt in de glazen voor de Valeriuskliniek. Het verschil is dat hij daar meer licht toelaat in de ramen door de afwisseling met blank glas en zachte partijen. Ook het evenwicht tussen figuratief en decoratief wordt op een andere manier ingevuld. Afbeelding ontleend aan 'De genade van de steiger', 2013 (screenshot bvhh.nu).


Brief van Heemschut en Cuypersgenootschap aan de gemeente Amsterdam

De Erfgoedvereniging Bond Heemschut en de Stichting het Cuypersgenootschap spreken bij deze hun zorgen uit over het lot van de monumentale glas-in-loodramen van Matthieu Wiegman (1938) in de voormalige Valeriuskliniek aan het Valeriusplein. Met de voorgenomen sloop van de kliniek voor woningbouw dreigt een uniek kunstwerk te verdwijnen. De ontwikkelaar heeft aangegeven de ramen niet mooi te vinden en heeft weinig belangstelling voor herplaatsing in het te reconstrueren gebouw.

Matthieu Wiegman (1886-1971) – leerling van Antoon Derkinderen – wordt gezien als één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Bergense School. Zijn werken speelden een belangrijke rol in het kunstdebat van het interbellum en hij werd reeds in 1931 aangemerkt als ‘de begaafdste van deze zoo rijkgeschakeerde groep schilders in Bergen’. De kunstenaar heeft naast een groot oeuvre van expressionistische schilderijen en wandschilderingen, met name in het interbellum, ook diverse belangrijke glas-in-loodramen gerealiseerd. Zijn ramen in de Amsterdamse Obrechtkerk en het raam voor de Valeriuskliniek (1938) behoren tot de hoogtepunten van zijn monumentale oeuvre. Genoemd raam werd in 1938 door toonaangevende kunstcritici vol lof ontvangen en is ook opgenomen in het standaardwerk over moderne glasschilderkunst in Nederland: Glas in lood in Nederland 1817-1968 (1989) van Carine Hoogveld e.a. Recent is door Bernadette van Hellenberg Hubar het belang van Wiegman voor de ontwikkeling van de monumentale kunst in het interbellum in Nederland aangetoond in de publicatie De genade van de steiger. Monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum (2013), een uitgave van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

De architect A. Ingwersen, die de ramen na de oplevering van de door hem verbouwde kliniek beschreef, geeft een beschrijving van de schepping van Wiegman, die op treffende wijze de bedoeling van architect en kunstenaar schetst:

  • 'Wij zijn van de grondgedachte uitgegaan, dat hier een vreugdevol raam moest komen. De patiënten, die de spreekuren van de dokters in deze kliniek bezoeken, verkeeren uitteraard [sic] doorgaans in een gedepimeerde stemming. Wat konden wij voor hen beter doen dan hen bij het binnentreden te laten genieten van de kleur, die immers de muziek van het licht is!'

Een opzet waarin men zeker geslaagd is! In Amsterdam zijn er geen vergelijkbare ramen te vinden. Het Stedelijk Museum te Amsterdam ziet bovendien verwantschap tussen de ramen van de Valeriuskliniek en de werken van eigentijdse kunstenaars zoals Marc Mulders, Berend Strik, Marien Schouten, Toon Verhoef, Jan Dibbets en Peter Struyken op het gebied van glas-in-lood en gebrandschilderd glas. De overeenkomsten tussen de florale vormen, het kleurgebruik en de compositie van deze ramen van Wiegman en het herdenkingsraam ‘De tuin van glas’ (2005) in de Nieuwe Kerk, aangeboden aan koningin Beatrix bij haar 25-jarig regeringsjubileum, zijn treffend.

Eind 2015 zijn er plannen gepresenteerd om de oude kliniek te herontwikkelen, inclusief het raam. Men ging toen nog uit van renovatie van het gebouw en behoud van het kunstwerk. Dat in de herfst van 2016 plots een vergunning verleend is voor totale sloop en reconstructie is om verschillende redenen onbegrijpelijk. Wij kunnen geen redenen bedenken waarom niet ten minste het middendeel met het trappenhuis, dat van on-Nederlandse allure is, behouden had kunnen worden. Geen enkele reconstructie kan recht doen aan de kwaliteit van dit gedeelte van het gebouw, dat eigenlijk in aanmerking had moeten komen voor plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst. Dit lijkt helaas een gepasseerd station te zijn. Echter, de gedachte dat ten minste de ramen zouden terugkeren was zalf op de wonde. Recent is ons gebleken dat de eigenaar niet van plan is de ramen te herplaatsen. Deze dreigen in de opslag te verdwijnen, wat hoogstwaarschijnlijk de ondergang van de kunstwerken zal betekenen. Vanwege de omvang is herplaatsing elders vrijwel onmogelijk.

Op geen enkele manier lijken de waarden van het trappenhuis en de glas-in-loodramen meegenomen te zijn in de belangenafweging van de Commissie voor Welstand en Monumenten (CWM) en het stadsdeel Zuid, terwijl bij de voorgestelde reconstructie deze elementen juist van groot belang zijn. De glaskunst van Matthieu Wiegman vormt een onlosmakelijk onderdeel van het exterieur en kan o.i. niet zondermeer weggelaten worden. Er dient dan ook een oplossing te gevonden worden in de te herbouwen Valeriuskliniek. De gemeente zou in samenwerking met stadsdeel Zuid, de projectontwikkelaar, CWM en Monumenten en Archeologie moeten zoeken naar een passende herplaatsing van de ramen in de herbouwde Valeriuskliniek.

Wij verzoeken de leden van de gemeenteraad om in te zetten op behoud van de uiterst belangrijke en monumentale glas-in-loodramen van Matthieu Wiegman voor Amsterdam. De plannen voor de herbouw van de Valeriuskliniek dienen zo aangepast te worden dat deze kunstwerken alsnog herplaatst kunnen worden.


Bronnen

  • Deze actie wordt namens het Cuypersgenootschap behartigd door David Mulder en namens Heemschut door Norman Vervat.
  • De tweets waren onder meer van @ronaldklip en @Bern4dette (van Hellenberg Hubar)
  • Rijn, van (fotograaf), Ton. “Matthieu Wiegman- glazen Valeriuskliniek Amsterdam”. Beeldbank Stadsarchief Amsterdam, 2013. http://bit.ly/2lZfebV.
  • De uitspraak van A. Ingwersen is ontleend aan Delpher en aangereikt door @ronaldklip.

Verkorte link van dit item: http://bit.ly/2lZ3tBR

Reageren

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
Aantal stemmen: 0