De wereld van de Haagse kunstenaar, 57 - José Krijnen

In het werk van José Krijnen staat het gebaar centraal. Het gebaar is een bekend gegeven in de kunstgeschiedenis. Het menselijk gebaar is bijvoorbeeld zowel te vinden bij Romeinse standbeelden als in christelijke mozaïeken.  In de Romantiek en met name het expressionisme werd het schilderkunstig gebaar op programmatische wijze ingezet. José Krijnen creëerde haar eigen gebarentaal door het schilderen van delen van mensen.

Daarbij is veel aandacht voor stofuitdrukking, structuren en patronen. Ik spreek haar op de tentoonstelling Circular Argument in de Sis Josip Galerie. Circular Argument, cirkelredenering, slaat op de transformatie van stof die geschilderd wordt, waar vervolgens weer een stofje van wordt gefabriceerd, dat daarna weer geschilderd wordt. Op deze manier creëert Jose een eigen wereld waar door diverse texturen / verschillende materialen verhalen worden verteld.

De handen

Om ons heen hangen tegen de donkergroene muren van de galerie schilderijen op vaak groot formaat met figuren in bontgekleurde kledij zonder hoofd en handen die een gebaar maken. Op de achtergrond van de afgebeelde persoon is een veelkleurig geometrisch patroon te zien, te duiden als een tegelvloer zonder horizon. Ik zag in het portaal een paspop in deze bonte kleding waarbij het hoofd overtrokken was met breisel.

José Krijnen licht toe: “De handen vormen het uitgangspunt. Die maken een gebaar. Ik vraag me af: is dat gebaar universeel of individueel? Wat het ook is, het wordt begrepen, het is universele communicatie. In verschillende tijden en contexten zit er wel een andere betekenis aan. Niets zo ambigu als het menselijk gebaar.” Aan de manier waarop de schilderijen tot stand zijn gekomen en de presentatie hiervan - in combinatie met stoffen en breisels - is een hele ontwikkeling vooraf gegaan. José is vorig jaar afgestudeerd op de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag.

Isenheimer Altaar

In het tweede jaar kreeg José met andere studenten de opdracht om kopieën en een actuele vertaalslag te maken van het Isenheimer Altaar, een laat-gotisch drieluik, geschilderd door Matthias Grünewald in de jaren 1511-1517.  Het Isenheimer Altaar bestaat uit negen panelen. “Het gaat over de wederopstanding. Het is een emotioneel heftig stuk. Het doet eigenlijk heel modern aan. We hebben ons als studenten echt uitgeleefd in die kopieën. We konden ze exposeren in het Religieus Museum in Uden. Het Isenheimer Altaar was het allerleukste wat ik op de Academie heb gedaan.”

Ze kopieerde veel fragmenten uit de altaarstukken. “Toen werd het menselijk gebaar mijn thema. Een van de mooiste fragmenten vond ik de handenwringende Maria met biggelende tranen. In die handen zit de ambiguïteit. Wringt ze of bidt ze? Dat raakte me." Ze maakte er een eigen versie van met haar buurjongen Youri in dezelfde houding als Maria, met de handen devoot gevouwen. Dat werk wijst ze achteraf aan als haar sleutelwerk. “Toen ik zo bezig was, zag ik iedereen met handen in elkaar, in de trein, in een gesprek etc.. Het is een vorm van concentratie, het kan ook bidden zijn. Heel veel mensen in China zaten zo, met hun handen in elkaar terwijl men in China niet op de westerse manier aan gebed doet.”

Knipsels

In het derde jaar schilderde ze biddende mensen en maakte ook een film met dit thema die ze op een muur liet afdraaien. Van een persoon maakte ze drie Maria’s. In de tweede helft van derde jaar ging ze op Artist in Residence in China, in Xiamen. "Iedere boer kan daar de prachtigste knipsels maken. Je ziet ze overal. Het wordt ook als vak op de academie gedoceerd.” José was verrukt over de simpelheid en tegelijkertijd de rijkdom van deze knipsels. Uiteindelijk heeft ze een stapel rode vellen aan elkaar geplakt en is hierin gaan snijden. Het werd een aaneenschakeling van patronen van 6 meter lang en 4 meter breed. Voor de expositie werd het knipsel aan tig draadjes aan het plafond gehangen. Hij wiegde in de wind.

In het vierde jaar ging ze op basis van de knippatronen tekenen om vervolgens weer terug te keren naar het gebaar. De hoofden liet ze niet meer zien, want het ging om het idee van het gebaar. En achter de afgebeelde personen zonder hoofden kwamen de Chinese sjablonen terug, vertaald in patronen. "Patronen zijn voor mij een persoonlijk symbolisme. Het is een vorm van abstractie die ik als vitaal beleef. Tegelijkertijd geeft het de toeschouwer ruimte voor zijn eigen verhaal. Het gebaar raakte ingeklemd in de patronen en de contra-patronen, bijvoorbeeld in de kleding. Juist de frictie tussen de patronen en de structuren beviel me uitermate. Een gebaar is ook  een patroon in de zin van een maatschappelijke conditionering die tegelijkertijd toch iets eigens heeft. Omdat het het menselijk lichaam betreft is het ook altijd kwetsbaar."

De ruimte in

"In het eindexamenjaar heb je een eigen atelier, alle studenten krijgen die. Ik had een aantal schilderijen met een gebaar gemaakt en kreeg de behoefte er meer mee te doen. Ik begon dingen uit die schilderijen te trekken. Ik vond eigenlijk dat er nog veel meer structuur en patroon kon resoneren. Er kwam een patroon op de muur, boven het schilderij, onder het schilderij. De stof (illusie) uit mijn schilderij transformeerde ik weer in een echte stof en de trui werd een 'free-style-breisel'."  

Meerstemmige verhalen

"Die stoffen ben ik trouwens gaan maken omdat ik zo'n ongelooflijk plezier had in stofuitdrukking schilderen. Ik was regelmatig op de mode-afdeling omdat ik met de werkplaatsbeheerder in de medezeggenschapsraad zat. We moesten regelmatig overleggen. De mode-afdeling op de academie is populistisch gesteld vet cool. En op die manier ging ik onder andere ook eens een stofje drukken. Er ontstond een wereldje in dat atelier waarin ik veel meer dan daarvoor over de formele kenmerken van een schilderij ging nadenken. Ritme, vlakken, repetitie,de betekenis van het materiaal. Mijn werkruimte en de objecten daarin werd een blokkendoos die ik steeds weer herschikte." Voor haar eindexamen heeft Jose een aantal grote schilderijen in geschilderde perspectiefvlakken op de muur gezet. Het perspectief week net een beetje af van het perspectief in haar schilderijen. Dat gaf een kanteling van betekenis.

Humanistisch raadsvrouw

José Krijnen deed pas relatief laat de Kunstacademie. Ze werkte al, en werkt nog steeds, als humanistisch raadsvrouw. Ze studeerde Humanistiek. “In mijn werk ben ik altijd bezig met mensen en hun verhaal. De gesprekken gaan over existentiële vragen zoals leven en dood, schuld en schaamte, vrijheid en gebondenheid." Nu is ze net een jaar kunstenaar. “Hoewel, kunstenaar vind ik meer een houding, een open, onderzoekende houding. Je hebt de behoefte vanuit die houding te creëren/ met een artistiek product te communiceren."

Duidelijk is dat ze veel gehad heeft aan de Koninklijke Academie. Je kunt daar zoveel uit proberen en krijgt veel voeding, zegt ze. Het studeren stopt niet, ze wil zich verder bekwamen in het schilderen en textiel, en gaat nu een masterclass volgen in de Textiel Museum in Tilburg. Ook is ze zich net aan het verdiepen in het schilderen met eitempera. Ondertussen heeft ze na haar afstuderen alleen maar geëxposeerd. “Ik heb dit jaar net zo hard moeten werken als tijdens mijn eindexamen. Steeds weer die zalen vol zien te krijgen." Nu heeft ze haar eerste solo-expositie. “Dit vind ik wel de mooiste expositie van dit jaar, mijn werk past heel goed in de ruimte, met die donkergroene muren en de houten lambrizering. Door de manier van presenteren is het ook weer een installatie. Daar heb ik toch weer veel plezier in - net als in mijn atelier op 'school'."

Professor Cheng

In september gaat ze voor een expositie naar Polen, naar Krakow. Een kunsthistorica nodigde haar uit. En een Chinese professor in de kunsttheorie, professor Cheng, schreef een groot artikel over haar werk, in het Chinees. Zie http://bit.ly/1ru3BI7.  “Professor Cheng zei: ‘Je werk is intertekstueel. Het lukt je om een taal te vinden die tijd en context overstijgend is en toch actueel."  

http://www.josekrijnen.com/

Circa:
Nee

Reageren

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
Aantal stemmen: 0