De wereld van de Rotterdamse kunstenaar, 14 - Bert Frings

Het atelier van Bert Frings bevindt zich in een oud schoolgebouw in de Ruilstraat. Een mooie straatnaam. De eigenaar van een paar panden elders in de stad Rotterdam verruilde zijn panden om huizen in deze straat neer te zetten, vandaar de naam. Er zitten meer kunstenaars in het gebouw.

Bert heeft een flinke werkruimte. Links staat een grote tafel vol met verfbussen en tubes, voor ons hangen schilderijen en rechts staan recente papieren werken. Voor een deel van de ramen hangt zwart landbouwplastic. Soms dekt hij alle ramen ermee toe om specifieke werkzaamheden goed uit te kunnen voeren.

Roofdier

We kijken eens goed naar het schilderij Predator dat voor ons hangt. Een flink werk met lichtblauwe vaalgrijze en roze kleuren. Linksonder, linksboven en ook rechts een soort rasterwerk van gekruiste buisachtige banen. Her en der stickers, onder andere het embleem van Atari, een zwart hartje, een logo van een pizzabedrijf, een maskertje. Midden links is de omtrek van een schedel te zien. Dat alles is een landschap, dat een beetje science-fiction achtig aandoet.

Bert Frings: “Voor mijn schilderijen en tekeningen is er een grote rol voor de toeschouwer weggelegd. Die kan zijn gedachten er over laten gaan en het landschap zelf afmaken, in zijn of haar gedachtewereld.” Het schilderij is in diverse lagen opgebouwd. Het begon met tinten lichtblauw en vervolgens de andere tinten. “Mijn kleurgebruik is eerder vuil.” De diverse rasters zijn er met de airbrush op aangebracht waardoor er blanco banen in de verf werden geblazen. De stickers zijn niet ingeplakt, maar ingeschilderd.

Frings is gefascineerd door verf en hoe je verf als het ware ‘op kunt voeren’. Licht, dun, papperig, stroperig. Met gebruik van ongewone gereedschappen als een trekker, een ruitenwisser, spray, spons en airbrush. Hij ontdekte het bij toeval. “Die buisachtige banen, die ik met airbrush maak, leken aanvankelijk een vergissing, een fout, dat gecorrigeerd moest worden. Bij nader inzien bleek het juist een vondst te zijn, iets dat ik al schilderend ‘cadeau’ kreeg.”

En ook de stickers die je vaak terugziet, zijn al werkende en proberende een belangrijke rol gaan spelen. “Die stickers kwam ik op straat tegen. Ik bedacht me dat ik die kon gebruiken. Het voegt extra betekenis toe aan het werk, het zijn uitingen van de tijd waarin je leeft. Op een van de stickers staat een instortend tempeltje. Die sticker verscheen een paar jaar geleden ter gelegenheid van ‘Boijmans Bezet’ en de ‘Mars der beschaving’ in verband met het verminderen van de cultuursubsidies.”

Popcorn films  

Predator is ook de titel van een Amerikaanse science-fiction film, geregisseerd door John McTiernan, met in de hoofdrol Arnold Schwarzenegger. Bert zag veel van dit soort films in zijn jeugd, in de jaren ‘80. “Ik maakte de opkomst van de videotheek mee en daarnaast zag ik in de bioscoop, in Kerkrade en Heerlen, veel ‘popcornfilms’: ‘Alien’ en ‘Blade Runner’ van Ridley Scott, ‘Star Wars’, ‘E.T’ en ‘The Terminator’ van James Cameron.

Links van de Predator hangt ‘The Broken Ear’, geïnspireerd op een werk van de Duitse expressionist Emil Nolde. Hij laat me het originele werk van Nolde zien, een stilleven met maskers. “Ik moest ook denken aan het album van Hergé, ‘Het Gebroken Oor’ waarin Kuifje verzeild raakt bij het indianenvolk de Arumbaya’s, een fictieve naam zoals wel vaker het geval was bij Hergé. Hij verzon ook een taal voor de Arumbaya’s die was gebaseerd op jeugdherinneringen aan het Vlaams zoals ze dat in Brussel spreken.”

Naast science-fiction films is de etnografie een andere inspiratiebron. “De vormgevers van de science-fiction films hebben er gretig uit geput.” Via de film ontdekte Bert Frings de Tatanua maskers van het Malagan ritueel in Nieuw Ierland, een eiland boven Nieuw Guinea in de Stille Oceaan. Hij laat me een boek over de maskers en de andere kunstwerken zien. Het Malagan ritueel maakt gebruik van materialen die voorhanden waren: hout, planten, schelpen en verwerkt dit tot raadselachtige spirituele beelden. Maskers komen herhaaldelijk in Frings’ werk terug.

Tijdelijkheid

“De fantasie is niet oneindig. Er is en wordt heel veel overgenomen. Alles is er al en alles is al gedaan. Dat is ook het uitgangspunt van het postmodernisme. Maar ik behoor niet tot die stroming. Ik wil op mijn eigen manier toch een invulling geven. In de kunstgeschiedenis kun je een lijn vinden en aan de hand ervan beoordelen of iets goed is. De oud-Egyptische naam voor een beeldhouwer betekende letterlijk ‘hij die levend houdt’. Het is een troost dat iemands werk en ideeën ertoe doen, ook na iemands leven.”

 “Vanaf Giotto werd de kunstenaar als een individueel talent gezien. Daarvoor was hij als persoon onbelangrijk. Sindsdien is er een rijke kunsttraditie opgebouwd, waarin goede kwaliteit altijd boven komt drijven. Kijk naar wat Vermeer en Mondriaan gemeen hebben. Een rode draad, waar je jezelf aan af kunt meten." 

Vergankelijkheid, vanitas, tijdelijkheid, sterfelijkheid, eindigheid, daar draait het om in zijn werk, zegt hij. “Het leven, de dood, alles en niets, melancholie. Kunst is door de mens gemaakt en de mens is sterfelijk. Als er al een centraal thema is dan is het dat. De fascinatie voor de dood, vooral het niet kunnen bevatten.”

Dit jaar, 2015, heeft Bert Frings vooral getekend. Zo maakte hij de tekening Pizzaboy.  “Het tekenen is een groot contrast met het schilderen. Je krijgt niets cadeau. Het is tegelijk heel kwetsbaar en met papier kun je meer. Je gebruikt de mogelijkheden van het materiaal. Je kijkt hoever je kunt gaan.” Hij scheurt en plakt vervolgens weer, hij schuurt en hij brandt, althans het lijkt erop dat het is aangestoken, maar het blijkt verf te zijn. 

Daarnaast maakt hij papieren beelden. Er staan er een paar. Bij een is een masker te zien à la het Tatanua masker. En ook hier weer een sticker, dit keer van Whitney Houston. Achter een ander papieren beeld is een schedel getekend, geïnspireerd door ‘De Marskamer’ van Jeroen Bosch. Niet die hele bekende marskramer, uit Museum Boymans, maar een marskramer op het drieluik van Het laatste oordeel dat in Wenen hangt.  

J&B

Bert werkt daarnaast samen met een andere kunstenaar, Jacob.Gd. Jacob maakt enorm fantasierijke en vernuftige tekeningen met de computer die Bert vervolgens onder handen neemt. Hij opent een map en laat een aantal tekeningen zien. Hij schuurt, hij maakt het vlakker, hij ontkleurt etc. Het plan is een gezamenlijke tentoonstelling te gaan organiseren bij galerie  Zerp. De samenwerking heeft ook tot gevolg gehad dat Bert Frings nadenkt of hij zelf meer met de computer kan gaan doen.

De samenwerking met Jacob.Gd levert meer dan alleen tekeningen, ook ruimtelijk werk. Ze delen een gezamenlijke interesse voor de directe omgeving, zoals de straat. Wat valt op? Vuilnis, plastic, materialen die verval en onherbergzaamheid uitdrukken. “Zoals David Hammons laatst liet zien in Venetië, niet op de Biënnale zelf, maar in Punta della Dogana.in een tentoonstelling samengesteld door Danh Vo. Hij had heel inventieve dingen met landbouwplastic. Het leek wel schilderkunst, maar het was geen schilderij. Hammons heeft veel werk gemaakt met wat hij op straat verzameld heeft. Sommige werken brengen tegenwoordig op een veiling twee miljoen dollar op.”

Han Leblanc

Bert Frings tekende altijd al, maar zijn interesse in de kunst werd pas echt gewekt door zijn tekenleraar op de middelbare school, Han Leblanc. Ieder jaar kreeg hij van hem les, tot het eindexamen aan toe. “Hij ging heel serieus met het vak om. Hij had contact met kunstenaars over heel de wereld. Hij organiseerde excursies naar musea die relatief dichtbij waren, als die van Düsseldorf en Keulen, maar ook een keer naar Parijs.”

In die Duitse musea zag hij hedendaagse kunst, maar ook werk van Kirchner, Heckel en Nolde. “Vertegenwoordigers van het expressionisme, dat op zijn beurt geïnspireerd was door ‘primitieve’ niet-westerse kunst. Het was een levendige tijd, de jaren ’80. Het was ook vrij overzichtelijk als je het met nu vergelijkt, waarbij er permanente twijfel is aan waarheid en authenticiteit.”

Na de middelbare school ging Frings naar de Rietveld Academie in Amsterdam. “Het was niet helemaal wat ik ervan verwachtte, erg schools. Na een tijdje ging ik zelf, los van de Academie, schilderen en werd met dat werk toegelaten bij De Ateliers in Amsterdam. Dat was geweldig en naar verwachting. Je kon zelf op onderzoek gaan en experimenteren en er waren goede begeleiders zoals Rob Birza, Marien Schouten en Rita McBride. Ik heb er veel geleerd. We hadden als studenten ook veel onderling contact. Mijn buurman was Shah Jahan, hij kwam oorspronkelijk uit Sylhet, Bangladesh, maar is op jonge leeftijd naar Engeland verhuisd. Ik trok veel met hem op. Hij maakte hele eigen dingen en was gek van Michael Jackson. Helaas is hij jong overleden.”

Cadeaus

Eenmaal zelfstandig kunstenaar verliep het leven in golfbewegingen. “Soms was er veel aandacht voor mijn werk en ook goede verkoop. Op andere tijden is dat weer minder. Ik heb les gegeven en ik mocht ook een aantal stipendia ontvangen, waardoor ik door kon gaan. Je moet echt gedisciplineerd leven en hard werken. Vergelijk het met het leven van een professionele sporter. Soms voel ik me een overlevingskunstenaar, dan denk ik aan de uitspraak van Jan Cremer ‘Als ik die miljoen misloop, dan koop ik wel een zak patat en een kroket.’”

Gevraagd naar zijn filosofie citeert hij Marcel Duchamp ‘Art is something that happens between the idea and the realization of the idea.’ “Dat is heel listig, hoe ver ga je in de uitwerking van het idee? Keuzevrijheid, inventiviteit, proactiviteit, initiatief nemen vind ik belangrijk. Succes is niet meteen gegarandeerd overigens. Ik heb ervaren dat je als je steeds probeert je grenzen te verschuiven, je  fouten maakt, maar sommige van die fouten blijken achteraf geen fouten, maar zijn juist grote ‘cadeaus’.”

http://www.bertfrings.nl/HOME_.html

http://bit.ly/1QGu1vh 

Circa:
Nee

Tags

Reageren

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
Aantal stemmen: 0