De wereld van de Rotterdamse kunstenaar, 3 - Silvia B.

In TENT Rotterdam waren de afgelopen maanden de werken van vier genomineerden voor de Dolf Henkes Prijs 2014 te zien. De Dolf Henkes Prijs is de belangrijkste Rotterdamse prijs voor beeldende kunst. Een van de vier kunstenaars was Silvia B.

Ik pik nog net de tentoonstelling – die met een week verlengd is – mee en zie in de eerste van de drie zalen voor de werken van Silvia B. een enorme verscheidenheid aan voorwerpen. Op witte plankjes aan de witte muren staan schelpenlampjes, slangenleren tasjes, opgezette cobra’s, een armadillo waarvan een naaimandje gemaakt is, veren decoraties, hoornen bestek, grote vogels en kleine krokodillen, honderden voorwerpen van dierlijke afkomst.

Voorin de zaal zit op een winnaarspodium voor sportwedstrijden een jongen in wit tenue met een golfstick en een tok – zoals hockeykeepers die dragen – met een Balinees masker voor zijn gezicht. Zijn titel is Lord Rangda. Op zijn knie zit een witte rat met een halsband met spikes om. Het dier als accessoire, dat zelf ook weer accessoires draagt. Het geheel ziet er prachtig uit. De curiosa aan de muren lijken op elkaar te reageren en binnen het geheel lijken er ook kleinere netwerken van bij elkaar passende voorwerpen te zijn.  

Dierlijke curiosa

Silvia B. moet wel een enorme speurtocht hebben ondernomen om dit alles bij elkaar te krijgen. Dat blijkt inderdaad het geval. Silvia B. die me net heeft rondgeleid in haar eigen tentoonstelling: ‘Ik ben blij mijn verzameling ook te tonen hier voor de Dolf Henkes Prijs. Het is geen nieuw werk, maar heeft veel voor mijn oeuvre betekend’

Over de verzameling dierlijke curiosa aan de muren zegt ze het volgende:  ‘Ik zag die voorwerpen altijd wel op markten, maar ik kocht ze nooit. Totdat ik de armadillo zag. Die maakte zó veel emoties en gedachten bij me los. De ‘bewerker’ die het gordeldier had omgekeerd, uitgehold en er een naaimandje van maakte, had zijn voorpootjes voor zijn ogen vastgezet alsof het diertje het gevaar niet wilde zien. De brutaliteit om zo'n beeldende houding te kiezen vond ik choquerend. Maar ik voelde me ook aangetrokken tot dit uitheemse beest met zijn mooie leren schubben. Daarbij was er de afstoting omdat zijn satijnen voerinkje kapot was en de binnenkant van zijn schild er viezig uit zag. Tegelijk was dat satijntje uit grootmoeders tijd, dus ergens weer geruststellend. Ik was totaal geraakt door de absurditeit van het lot van het beest: sterven om een naaimandje te worden en dan vervolgens een tweede dood sterven tussen de troep op de rommelmarkt. Ik kocht het dier. Dat was op de Lloydpier in Rotterdam in 1996. Daarna ben ik een paar jaar zes keer per week tweedehands markten afgelopen. Overal. In en rond sporthallen en voetbalstadions, op rommelmarkten, in Rotterdam, Nederland, zelfs tot België aan toe. Ik was op jacht. Op jacht naar dierlijke curiosa, naar alles dat wij mensen van al die andere soorten hebben gemaakt, gekocht en weer hebben gedumpt.’

Ontwikkeling in gruwelijkheid

'Er zaten allerlei verbazende ontwikkelingen in het verzamelen. De artefacten van schelpen bijvoorbeeld kwamen later in beeld. Een slakachtig wezen dat een schelp bewoond, daar identificeer je je niet zo erg mee als met een hert. En natuurlijk hebben wij die schelpen niet onschuldig alleen maar opgeraapt. Net als wat je ook van veren kan denken, waarvan in de 18e eeuw zoveel corsages voor dameshoeden werden gemaakt, dat daar de eerste vorm van dierenbescherming door ontstond. De paradijsvogel werd met uitsterven bedreigd. Niet zo onschuldig dus die veren hoedjes. Verder bleek het overtuigender om van een curiosum meerdere exemplaren te tonen, dat laat zien dat het ook echt een product was. Maar vijf openers met een gemzenpoot als handvat is wel genoeg. Op een gegeven moment heb je van alle gangbare dingen voldoende. Dus ontstond er een ontwikkeling in ‘gruwelijkheid’: het moest sterker en meer uitgesproken worden: een flessenopener van een armpje van een walibi, dat voel je echt. Het is bijna zo groot als je eigen onderarm. Dat maakte de jacht steeds gekker: ik wilde dat die voorwerpen niet bestonden, maar tegelijkertijd voor mijn doel ook wel en daarbij moesten ze alsmaar afschuwwekkender zijn om nog toegevoegd te kunnen worden aan de collectie. Ik had wel een leidende gedachte in mijn hoofd: het idee dat deze verzameling een samengesteld beeld zou worden. Tot nu toe heb ik hem tien keer tentoongesteld, de eerste keer in Salle de Bains in Rotterdam, dat was een ruimte van 3 x 3 x 3m, toen in 1998 goed te vullen. De voorlaatste keer bij de Verbeke Foundation in België in 2014. Daar had ik een lange muur van 5 x 44m. Daar kon ik bijna alles ophangen, veel meer dan hier in TENT.

Binnen de verzameling aan de muren van TENT zijn –als je goed kijkt – ook groeperingen te zien. Qua kleur of materiaal lopen de verschillende diersoorten naadloos in elkaar over: de vogeleieren sluiten aan bij de dieren op sterk water, via de schelpenborden loopt het naar de slangenleren tasjes, dan naar de alligatorsleutelhangers, zo naar de hertshoornen bestekjes, langs de hertenpootjes naar koala-knuffels en poppenbontjasjes, voorbij koeienhuid naar koehoorn en benen sieraden. Silvia B.: ‘Frappant is dat bij de diersoorten ook soorten in gebruik horen. De reptielachtige voorwerpen zijn allemaal damesspulletjes: beursjes, tasjes, schoenen. De hoornen objecten zijn veelal  bureau accessoires geworden: pennenbakjes, briefhouders. Alle jacht items van diverse herten hebben met eten te maken: messen, kurkentrekkers, kaasplankjes.’

Instinctief gedrag

Deze verzameling is ook het sleutelwerk in haar oeuvre. ‘Het geeft heel veel tegenstrijdige informatie en roept evenveel onverenigbare emoties op. Het geheel stelt allerlei vragen over ethiek en esthetiek. Dat vind ik heel sterk aan de verzameling als beeld. Ik maakte al voornamelijk ambivalente figuren, hybriden, maar in latere beelden ben ik ook per figuur verzamelingen van accessoires gaan inzetten die heel tegengestelde informatie geven. Ik vind het mooi als men niet direct oordelen kan.’

Het zal niet verbazen dat het centrale thema in haar werk gaat over menselijk gedrag. Aan de ene kant instinctief gedrag en aan de andere kant beschaafd gedrag. B.: ‘Het fascineert me. Waar ligt de grens? Van origine zijn we beesten, we worden gedreven door angsten en verlangens. Maar we hebben geleerd beschaafd met elkaar om te gaan.’

Silvia B. vindt dat onze beschaving zich  – al sinds de economische crisis van de jaren ’80 – in de fase van decadentie bevindt. ‘We zijn nu nog de eerste wereld, maar we worden de tweede wereld. We gaan dit verliezen. Azië wordt de eerste wereld. De eindeloze rijkdom komt niet meer terug.’  

De witte serie

In de witte serie, die ze een aantal jaar geleden in het Haagse GEM exposeerde onder de titel Les Plus Beaux was de decadentie ook al te zien. Het was een installatie bestaande uit in het wit geklede jongetjes die een spel spelen met wit speelgoed en witte maskers. Het kon een maskerade zijn, maar ook een spel op leven en dood. Een van die jongetjes, Lord Rangda met het Balinese masker, bevindt zich in de eerste Silvia B. zaal van de TENT tentoonstelling.

Silvia: ‘Ik maakte een gang van jonge jongetjes die allemaal op een eigen winnaarspodium stonden, met hun witte speelgoed – golfclub, stelten, springtouw, cricketbat – in de aanslag. Je voelde dat er iets in de lucht hing. Hun gedrag is blasé, verveeld en tegelijk dierlijk en instinctief. In zo'n roedel heerst een rangorde en is een constante strijd gaande, ieder moet zijn imago hooghouden. Je ziet dat het rijkeluis-kids zijn. Het beeld trekt aan met kinderlijke onschuld en stoot tegelijkertijd af.’

De zwarte serie

In de jaren 2010 – 2014 maakte ze de zwarte serie, met de titel Le CIRQUE, die vorig jaar te zien was in haar vaste galerie Ron Mandos en nu in een andere zaal van TENT. Je ziet kinderen met dierlijke vachtjes en dieren die menselijke gedragingen vertonen. Circusartiesten en figuranten. Een kauw op een bal met een feesthoedje. Een aap houdt een konijn in een hoge hoed vast. Een jongen, in de houding van een slangenmens, met een vachtje (van lamsbont zoals oma’s die vroeger als Perzianer bontjas droegen). Sivia B. : ‘Het is een circus na sluitingstijd. Alle beelden staan in de ‘pauzestand’. Het is een donkere, melancholische serie. Pas op de plaats. Het is biografisch in die zin dat er privé dingen gebeurden die bij mij deze donkere pauze stemming teweeg brachten. Le CIRQUE speelt zich hier in TENT ook weer af in een donkere ruimte, je moet er als bezoeker echt inkomen. Ik vond het interessant niet alleen de losse werken, maar ook de hele sfeer te presenteren, zodat de kijker een totaalervaring krijgt.  In Museum Beelden aan Zee twee jaar geleden stond het in ‘Het Kabinet’.  Helemaal zwart in zwart, vloerbedekking, gordijnen, beelden, foto's, alles. Elk beeld had helemaal zijn eigen ruimte, eigen belichting, mooie concentratie; mensen ging fluisteren.

Als het even kan zoek ik voor mijn beelden een ruimte waar zij goed tot hun recht kunnen komen of ik customize de hele ruimte. Zoals in Museum Beelden aan Zee, bij Ron Mandos in de galerie en ook hier in TENT. Hier start mijn gedeelte van de expositie met een heel lichte, hectische zaal met de gekte van de verzameling en de decadente Lord Rangda. Dan een duistere grijs geschilderde zaal met één verlaten beeld, vervolgens de kleine zwarte ruimte waar een paar zwarte werken van Le CIRQUE worden getoond.’

Meisje aan touw

Er hangt in de tweede zaal een meisje aan een touw, La Dolores. De zaal is betongrijs, duister, op La Dolores staat een spot gericht. Ze draagt een huidkleurig strak en verleidelijk acrobatentenue. Ze heeft golvend, bijna echt rossig haar. Een piercing in haar onderlip en een naturalistisch ingeschilderd gezicht met sproetjes. Een blinddoek voor haar ogen.  La Dolores houdt zelf weer aan een touw een poppenfiguur met losse houten benen vast. Die om elkaar gedraaide, gebeeldhouwde benen hangen aan jarretels aan het poppenlijfje. Zelf heeft ze ook een los been, dat bijna onzichtbaar is hersteld, een kunstbeen dat net zo bekoorlijk is als haar 'natuurlijke been'.  B.: ‘Het is onduidelijk of ze een air dance act heeft opgevoerd of dat ze is achtergelaten na een bondage feestje.’ Het beeld biedt perspectieven voor een nieuwe serie. ‘ Een naakte, kwetsbare, huidkleurige serie waar de kwestie van de vrije wil een rol in gaat spelen.’

Rattenkoning

Op dit moment is Silvia B. bezig met een rattenkoning. ‘De rattenkoning is een onverklaard verschijnsel. Er zijn zo'n 50 rattenkoningen in verschillende musea, variërend van groepjes van 6 ratten tot een grote groep van 32 ratten die met hun staarten met elkaar de knoop zitten. Hoe dat gebeurt is een raadsel. Ze bijten zich niet los, vallen elkaar niet aan. De staarten zijn vaak gebroken en weer vergroeid. Alles wijst erop dat ze in leven worden gehouden door andere ratten. Ze worden meestal dood en verdroogd gevonden en het gaat bijna altijd om zwarte ratten. Ik ben nu bezig met een rattenkoning van zeven witte ratten. Die hebben bij leven roze snuitjes, staarten, oren, handen en voeten. Dat is nog een schilderwerkje op de opgezette dieren. Ratten lijken op ons, sociale dieren, omnivoren, zelfde hersenopbouw, zij zijn niet voor niets de meest populaire testdieren. Hun IQ en EQ is te vergelijken met het onze. Ik vind het een intrigerend idee dat onder elke stad nog een stad is, met evenveel inwoners, gezinnen, buren, wijken, gedragscodes. Misschien is de rattenkoning een vorm van straf, een ritueel, een vorm van decadentie, van bondage? Het wordt in elk geval weer een beeld dat speelt met aantrekking en afstoting en ethische en esthetische vragen stelt.'

Silvia B. studeerde op de Rotterdamse Academie voor Beeldende Kunsten, nu Willem de Kooning Academie geheten. ‘Ik wilde mode en beeldhouwen combineren. Dat ging mis. Nu is het multidisciplinair denken helemaal in, toen niet. In 1987 stopte ik met de Academie. Ik ging op eigen kracht verder. Dus ik ben deels autodidact. In 1991 had ik mijn eerste tentoonstelling en uiteindelijk combineer ik natuurlijk wel mode en beeldhouwen.’

Ze merkt de economische crisis wel. ‘In 2009 had ik nog twee assistenten rondlopen. Nu mag ik alles weer zelf doen. Er wordt veel minder gekocht en veel subsidie mogelijkheden zijn er ook niet meer. Het wordt niet meer zoals het was, denk ik, maar dat is misschien ook niet zo erg. Het zou wel fijn zijn als er wat meer honorarium zou zijn voor de kunstenaar die een expositie maakt in een museum. Het blijft raar dat iedereen betaald wordt, behalve degene die de inhoud levert. Zo is het ook met kunstbladen: de redacteur, de drukker, de postbode, iedereen krijgt een salaris, maar de leverancier van de foto's, het interview, waar mensen een magazine voor kopen is gratis.’  Ze heeft aan tentoonstellingen in elk geval geen gebrek, zo'n tien – twaalf heeft ze er per jaar. November 2015 staat een solo gepland bij galerie Ron Mandos. Daar zal de nieuwe serie te zien zijn.

Circa:
Nee

Tags

Reageren

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
Aantal stemmen: 0