De wereld van de Rotterdamse kunstenaar, 36 - Rommert Boonstra

Op de Rooting Inbetween tentoonstelling in Schiedam hing een groot werk van Rommert Boonstra bestaande uit acht rijen van acht foto’s van bloemen, korenaren in een licht heuvelachtig gebied - vermoedelijk Frankrijk. Verstrooid door de foto’s heen waren handgeschreven toelichtende teksten van Boonstra. Een van de aanwezigen op de opening van de tentoonstelling vertelde dat we zeker ook naar de ‘prachtige tentoonstelling’ van Boonstra’s werk in Museum Oud Overschie moesten gaan.

Een maand later bevind ik me in het souterrain van Boonstra’s woning op de Schietbaanlaan in Rotterdam waar hij meer vertelt over zijn fotowerken. Boonstra is een van de grondleggers van de geënsceneerde fotografie. Hij heeft vele exposities van zijn werk gehad, in Nederland, maar daarnaast in heel Europa, onder andere het Centre Pompidou en het Centre Européen de la Photographie in Parijs, het Frac in Metz en het Musée de la Photographie Charleroi. De geënsceneerde fotografie begon rond 1980, vertelt hij.  “Er waren meer mensen mee bezig, ook in de Rotterdam. Je had de ‘Rotterdamse School’, daarnaast Teun Hocks en anderen.”

Wunderkammer

De gevestigde fotografiewereld en met name de documentaire fotografie keek aanvankelijk vreemd aan tegen dit soort foto’s. “Gebakken lucht, was het commentaar. Men moest er niks van hebben. Er ontstond een ware stammenstrijd, een woest gevecht. Na de afloop van dat gevecht werd er een plaatsje voor de nieuwe stroming ingeruimd.” Zijn eerste grote expositie had hij in 1980 in het Natuurmuseum Groningen. Van directeur Kees van der Meiden mocht hij alle voorwerpen van het museum gebruiken voor zijn fotocollages.

“Met hem heb ik het idee van de Wunderkammer ontwikkeld. Het gaat over raadselen, de verbeelding, vreemde ontmoetingen tussen vreemde dingen. De schoonheid van het lelijke. Het begon met een kunstcollage in een kartonnen doos, later gebruikte ik een marmeren decor.” Als hij een sleutelwerk moet noemen is het de eerste keer dat hij een collage in zo’n marmeren decor voor elkaar kreeg. Hij mocht op de zolder van het museum eraan werken. Met het resultaat was hij buitengewoon tevreden, dat bleek ook het geval te zijn bij de kijkers ernaar. Vele malen kreeg Boonstra van andere musea, onder meer Museum TwentseWelle en het Schielandshuis het verzoek ook zo’n Wunderkammer tableau te komen maken. “Ik mocht altijd van de collectie van de musea gebruikmaken. Musea hebben alles keurig geordend en ik gooide dat allemaal door elkaar. Ik vond het prachtig om met objecten en beelden aan de gang te gaan, daar taal aan toe te voegen en zo te komen tot een nieuwe totaliteit.”    

De Lantaren

Boonstra begon op latere leeftijd met zijn kunstcarrière. Zijn opleiding – het Gereformeerde Gymnasium en vervolgens een studie Kunstgeschiedenis, allebei in Groningen - wees een iets andere richting uit: een leidinggevende positie op het cultuurterrein. En zo begon het ook. Hij was op zijn 27e , in 1969, de jongste Schouwburgdirecteur van Nederland, in Assen. “Het voelde alsof de wereld aan mijn voeten lag. Ik haalde nieuwe namen in de Schouwburg: Neerlands Hoop, Cuby & The Blizzards. Dat was nog nooit vertoond. Het was fantastisch om ze op het podium te slepen. De burgemeester, Grolleman, vond het ook leuk.” Het duurde totdat er een wethouder kwam die allemaal maar niks vond.    

Vervolgens werd hij, in 1972, door de Rotterdamse Kunststichting uitgenodigd directeur te worden van theater De Lantaren in Rotterdam. “Het voelde alsof ik thuis kwam. Alles was mogelijk. Elk initiatief werd van harte ondersteund. Als er extra geld nodig was voor een buitengewoon evenement dat zich plotseling aandiende, belde ik de wethouder op, Jan Riezenkamp. ‘Wat leuk, ik ga eens kijken of ik daar een paar duizend gulden voor kan vinden.’ Adriaan van der Staay die naar de havenstad was gehaald om de culturele achterstand weg te werken, was fantastisch. Hij legde met zijn Rotterdamse Kunststichting de basis voor niet alleen De Lantaren, maar ook voor Poetry International, Film International en het Lijnbaancentrum.”

Er was film, theater, popconcerten en diverse festivals. “Een Festival over de Ongelukkige Liefde, een Science Fiction Festival samen met Evert Maliankay. Het drukwerk maakten we zelf in de grafische workshop waar de mensen van vormgeversgroep Hard Werken elkaar vonden.” Boonstra keek ook om zich heen wat er elders (New York, bij Mickery) gebeurde en wat interessant was voor de Lantaren. Maar die ‘staat van genade’, kon niet eeuwig duren, zegt hij, terugkijkende. “Alles donderde in elkaar.”

De fotografie

Hij werd ernstig ziek, het was de ziekte van Guillain-Barré. “Ik lag verlamd op bed, ik had een pompje om adem te halen. Het duurde lang voordat ik weer op de been was. Mijn vrouw was weg en mijn leven stortte ineen.” En toen kwam de fotografie in zijn leven. “Somber zat ik in het souterrain van mijn huis toen de magie binnensloop. Het oude poppenhuis van mijn moeder kwam tot leven, een foto van mijn opa begon tegen me te praten. Mijn fotografie groeide op in de besloten ruimte van een kartonnen doos. Ik had het deksel eraf geknipt en de voorwand eruit gesneden en zo was er mooi theatertje ontstaan waarin de dromen werkelijkheid konden worden. Ik liet er geen mensen in optreden, maar dode dingen. Van mensen had ik voorlopig meer dan genoeg.”

In 1978 loopt hij zijn tweede grote liefde tegen het lijf, Henriëtte. Boonstra ging veel reizen en schreef reisverhalen voor Avenue en stukken over beeldende kunst in Elseviers Magazine. “Ik heb ook interviews gedaan. Met Tajari onder andere, een interessant persoon en met Henry Moore.” Daarnaast werd hij docent Fotografie, onder meer aan de Rijksacademie. In Bourgondië kocht hij een oude boerderij waar hij veel tijd doorbracht en dacht oud te kunnen worden. Evenwel, na een ziekbed van drie jaar overleed zijn tweede vrouw, Henriëtte, in 2013. Boonstra schreef een boekje met foto’s en gedichten over haar, ‘De Mooie Rooie’. “Ik heb veel opgestoken van de dood van mijn tweede vrouw. Er komt zo iets tragisch op je af, maar het heeft zijn mooie kanten. Ze kwam in het hospice en de mensen die daar werkten waren zó  liefdevol, niet te geloven. Een heel andere kant van de maatschappij waarmee je in aanraking komt. Gelukkig kwam ik na Henriëtte’s dood opnieuw de liefde tegen, Annemieke, opnieuw een meisje van katholieke huize. Sindsdien klaag ik nergens meer over. Het leven wordt steeds ongecompliceerder als je ouder wordt. Ik werk nu helemaal voor mijn plezier.”

Dominee Reeskamp

Het kwam al ter sprake: Rommert Boonstra is goed gereformeerd opgevoed. Hij ging naar het Gereformeerd Gymnasium en moest zondags trouw naar de kerk alwaar dominee Reeskamp hel en verdoemenis preekte. “Er was niet alleen een hemel, maar ook een hel. Daar was geween en geknars der tanden. Iedereen die niet gereformeerd was werd daar onmiddellijk naar toe gestuurd en met name de Roomschen, want de Roomsche mis was een vervloekte afgoderij. Maar ik blijk katholieken veel leuker dan gereformeerden te vinden, met name mijn twee ‘meisjes’. Ik heb altijd met vrouwen iets gehad, ik had ook een lieve moeder. Mijn vader – kaashandelaar en eigenaar van een kaaspakhuis – was autoritair. ’Zo lang je bij mij in huis woont, ga je naar de kerk.’” Het streng gereformeerde geloof gaf hem het elan om zich daarvan los te maken. “Gereformeerden hebben geen gevoel voor humor, kunnen niets met anarchie. Ik kan niet tegen Mondriaan, een gereformeerd type, met zijn reductie van het leven tot lijnen en kleur.”

Na het overlijden van zijn tweede vrouw gaf Boonstra zijn huis in Frankrijk op. Zijn vele wandelingen aldaar, tot wel een cirkel van 50 kilometer van huis, zette hij voort, maar wel in Nederland, in de buurt van Rotterdam. “Ik ben altijd een wandelaar geweest. Wandelen brengt me op ideeën. Ik wandel 10 – 20 kilometer per keer. Ik heb ook altijd een notitieboekje bij me.” Recent heeft hij de Broekpolder bij Vlaardingen ontdekt. “Opgespoten land, met giftig havenslib nota bene. Het is een mooi gebied geworden met allerlei geboomte, wel drassig, je moet je laarzen meenemen. Je komt er nooit iemand tegen.” 

Annemieke komt binnen. “Laten we nog even naar mijn tentoonstelling in Overschie in Museum Oud Overschie gaan.” In het mooi geconserveerde museum in de oude kern van Overschie, zo’n 1000 jaar oud, bekijken we zijn collagewerken, compilaties van klassieke gebouwen, elementen uit beroemde schilderijen, voorwerpen, dieren, bloemen, geometrische figuren. We drinken een glaasje glühwein met enige vrijwilligers die het museum/ontmoetingsruimte draaiende houden. We gaan nog even naar het fraaie kerkhof met ook enkele zeer oude graven.   

Zhuang Zi

Heeft Boonstra nog een mooie filosofische afsluiting? Die heeft hij. “Mijn filosofie is op het Taoïsme gebaseerd. In de Volledige Geschriften van Zhuang Zi, het grote klassieke boek van het Taoïsme (uitgeverij Augustus) zijn veel wijsheden te vinden, maar ik kies deze: ‘Als we nu de hemel en de aarde als een grote smeltpot beschouwen en de schepper als de grote smid, waar zou ik dan weigeren heen te gaan?  Alles vervolmaakt zijnde zal ik inslapen, en met hernieuwde kracht zal ik ontwaken.’ Hieruit spreekt een soort zorgeloosheid die me aantrekt.”

Afbeeldingen: 6) 33 man in gang, 7) Theresa, 8) Southern belle, 11) Invocation a la nuit, 12) Metropolis

http://www.rommertboonstra.nl/
http://www.museumoudoverschie.nl/
http://journal.depthoffield.eu/vol11/nr24/f01nl/en

Circa:
Nee

Reageren

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
Aantal stemmen: 0