Jaap Bijsterbosch vertelt

Op de 205e Fotografenavond in Café Kalkhoven was Jaap Bijsterbosch te gast. Jaap Bijsterbosch is bekend vanwege zijn series: van treinen, bossen, reflecties van straatbeelden in etalages, nachtbeelden en zelfportretten. Daarnaast is hij docent aan de Fotoacademie en is hij actief in de GKf, tegenwoordig onderdeel van de beroepsvereniging Dupho.

Aloys: Je bent geboren op 7 februari 1951. Hoe kijk je terug op je jeugd?

Jaap Bijsterbosch: “Ik ben in Groningen geboren. Vanaf 1949 was mijn vader daar gevangenisbewaarder. Tijdens mijn jeugdjaren hing er de gedachte ‘Pas maar op, voor je het weet, kom je bij mij op bezoek’ boven mijn hoofd. Het gezin verhuisde met mijn vaders baan mee naar Dedemsvaart en vervolgens Zwolle. Begin jaren ‘70 kwam ik naar Amsterdam.”

Schoolmeester

Op zijn 11e maakte Jaap in Zwolle op Koninginnedag met de Afga Isola camera van zijn vader zijn een foto van zijn broertje. Op dat moment dacht hij: “Nu is dit er voor altijd”. Op zijn 16e richtte hij zijn eerste Doka in. Aloys: wilde je toen doorgaan in de fotografie? Jaap: “Ik wilde van alles toen: treinmachinist, brandweer, profwielrenner, schoolmeester. Ik ben onderwijzer geworden. Ik ging naar de Pedagogische Academie. Het waren de jaren ’70. Het was een fantastische tijd, ik werd lid van de Academieraad, een raad waar docenten en studenten in zaten. Eenmaal afgestudeerd ging ik naar Amsterdam.”

Hij kon meteen aan de slag. Er was op dat moment een groot tekort aan onderwijzers. “De keuze was duidelijk. Ik moest of in dienst of vervangende dienstplicht doen. Ik werd schoolmeester. In Zwolle zeggen ze ‘meneer’ tegen je, in Amsterdam is het ‘meester’. Het was een gemengde school. Na vier  jaar waren er weer teveel onderwijzers. Dat hing samen met het aflopen van de geboortegolf. Al na  drie jaar was mijn conclusie dat het niks voor mij was, dat schoolmeesterschap. Altijd binnen vier muren. Het idee van fotograferen kwam weer op."

De Moor

Hij maakte dia’s, was daar fanatiek in. “Ik besloot mijn hobby op te pakken. In Amsterdam had je De Moor, een cultureel centrum waar fotocursussen werden gegeven. Er was een Doka, waar ik meteen in dook.  Toen de vakantie aanbrak reisde ik met een vriend naar Italië. Daar maakte ik een serie van toeristische plekken en hoe mensen zich daar gedragen. Ik liet die foto’s zien bij mensen van De Moor en kreeg onder meer als reactie dat ik subsidie moest aanvragen bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst. Dat deed ik en het lukte nog ook. Het jaar daarop vroeg ik een subsidie aan bij de Amsterdamse Kunstraad over ‘Parapluus in het Amsterdamse Straatbeeld’ en ook dat ging goed.

Aloys: Waarom koos je ervoor je foto’s in projectvorm te maken? Jaap Bijsterbosch: “Ik vond het leuk  een onderwerp uit te diepen en fotografisch vorm te geven. Dat ligt me beter dan hap snap fotografie. De onderwerpen kwamen op mijn pad. In de jaren ’90 heb ik een serie gemaakt over bossen in Nederland. Dat kwam omdat een van mijn grootmoeders midden in het bos woonde.”
Aloys: En je hebt ook iets met treinen. Je hebt veel spoorwegen gefotografeerd.  “Dat had te maken met mijn werkruimte. Die lag aan het Zeeburgerpad dat aan de spoorlijn lag. Vanuit het raam keek ik op de spoorlijn waar elke vier minuten een trein passeerde. Toen, het is nog steeds begin jaren ’90, ben ik daarvan foto’s gaan maken in langwerpige afdrukken, om zo de spoorlijn als een lint door het land weer te geven. Het werd de serie ‘Spoorlijnen door de stad’. De stad Amsterdam, de provincie Noord-Holland en de stad Utrecht vonden het interessant en gaven opdrachten om series over de spoorlijnen in hun gebied te maken.”

De GKf

Aloys: In de jaren ‘80 was je lid geworden van de beroepsvereniging voor fotografen, de GKf. Waarom? “Als je geld verdient met fotografie, moet je lid zijn van een beroepsvereniging, vind ik. Op die manier kun je meehelpen aan een beter klimaat voor de fotografie in Nederland. Corinne Noordenbos had me gevraagd wat materiaal toe te sturen. Je moest wel gekozen worden, er was ballotage. Ik vond het een grote eer dat ze me uitnodigden. Bij de GKf liepen fantastische fotografen rond. De sfeer onder fotografen is over het algemeen goed, er is veel saamhorigheid. Dat zie je toch minder bij het toneel en de schilderkunst, waar iedereen deel uitmaakt van clubjes en kongsi’s.”  Astrid Verhoef: wat is daar de reden van, denk je? “Het materiaal van de fotograaf is de wereld en die wereld is vol mensen. Dat vertaalt zich in een bepaalde verstandhouding van de fotograaf met mensen.” Astrid: Volgens mij is er nog iets. Fotografen moesten zich extra bewijzen voor de kunstwereld. Daar kwam een soort van broederschap uit voort.  Jaap: “Ik geef les op de Fotoacademie. Studenten gaan daar plezierig met elkaar om. Fotografie is in de loop der jaren deel uit gaan maken van de kunst. Daarbij heeft de fotografie veel te danken aan principes die ontdekt zijn door schilders en tekenaars. Andersom maken schilders ook weer gebruik van percepties die ontwikkeld zijn door de fotografie.”

Aloys: Je bent in het bestuur van GKf terecht gekomen. Hoe ging dat in zijn werk? “Ik was anderhalf jaar lid en werd op een dag gewoon gevraagd. In het bestuur zaten onder meer Luuk Kramer, Michel Kryzanowsky en Bert Janssen. Het was leuk daar ook bij te zitten.”

Zwart-wit fotografie

Aloys: wat voor soort fotografie maakte je begin jaren ’90? “Zwart-wit fotografie. 20 – 25 uur in de week was ik toen bezig in De Moor. Ik had niet veel tijd om echt te gaan fotograferen, ik deed het vooral in de zomer. Tijdens reizen naar Groot-Brittannië en Ierland nam ik mijn camera mee. Zwart-wit vond ik toen heel mooi. Kleurenfotografie was niet aan de orde omdat het te kostbaar was om het zelf af te drukken op een persoonlijke manier. Met zwart-wit was dat wel mogelijk. Als je een foto neemt is het resultaat een plat beeld, maar als die foto goed gemaakt is denkt de kijker dat hij ruimte en diepte ziet. Elk detail draagt ertoe bij dat dit goed lukt. Als je naar iemand kijkt, let je niet op de dingen om hem heen, maar op een foto zie je het wel.” 

En verderop in de jaren ’90? “Ik werkte veel samen met Menno van de Koppel.” Was je veel in de Doka? “Niet te veel. Ik vond het belangrijk te fotograferen plus dingen uit te proberen, zoals bijvoorbeeld Jaap Rieder dat deed. Ik ontwikkelde mijn eigen films, ik kon goede afdrukken maken.”

Naar digitaal

Jaap zat  in '97 een half jaar bij Gemeentearchief, waar hij tekeningen fotografisch reproduceerde. “Ik heb er snel en goed leren werken. Er was mooie, swingende muziek.” Jaap Bijsterbosch heeft lang gedacht dat het niks zou worden met de digitale fotografie. Uiteindelijk kocht hij er eentje: een Fuji S7000 met een geheugen van één megabyte. “Rond 2004 dacht ik: ‘Digitaal gaat toch de trend zetten.’” In 2006 schafte hij zijn eerste digitale spiegelreflexcamera aan. En meteen ruimde hij zijn Doka op. Als laatste document van zijn zwart-wit periode liet hij een boekje over het verlaten dorp Doel in België verschijnen. Het ligt op de tafel. De negatieven uit de analoge tijd heeft hij wel bewaard. Op dit moment is er het een en ander van te zien op zijn expositie ‘Wanden van Nachtfotografie’ in Gallery Streetscape in Castricum, http://www.streetscape.nl/.

Zelfportretten

Op 28 juli 2008 begon hij een Zelfportrettenproject. Hij maakte al langer zelfportretten. “Ik gaf een workshop bij de Stichting Buitenkunst. Dat gebeurdeop een kampeerterrein bij Elburg. Ik deed even een powernapje en toen ik wakker werd dacht ik: ‘Ik zou eigenlijk zelfportretten moeten maken. De wereld geeft ons zo veel beelden. Ik moet wat teruggeven aan de wereld.’” Hij besloot er een project van te maken.  Aloys: Zie je jezelf als model?  “Nee, er waren allerlei redenen. Om te beginnen leek het me leuk te proberen een portret van mezelf te maken. Toen ik me eens ging scheren, scheen de zon op mijn oog. Toen dacht ik: ‘dat ga ik vastleggen’. Ik was als een acteur die spelletjes speelde.” Voelde je geen schaamte? “Ik denk altijd: het is maar een afbeelding. Toen ik een schilderij van een zwerver had gezien, dacht ik hoe zou ik er als zwerver uitzien? Mijn haar was al langer dan normaal, ik liet mijn baardstoppels staan en vervolgens maakte ik een foto van mezelf als zwerver. Toen het Kerst werd maakte ik een reeks beelden van de kerstverlichting en toen dacht ik ‘Ik doe die lichtjes om mijn gezicht’. Het resulteerde in een mooie Nieuwjaarskaart.

Docent op de Fotoacademie

Aloys: Je bent als docent naar de Fotoacademie gegaan. Waarom? “Uit nieuwsgierigheid. Ik ben er niet voor gevraagd. Han Sieveking van de Fotoacademie kwam een keertje in De Moor kijken. Van de Fotoacademie kwam goede fotografie. Willem Poelstra en anderen kwamen met verrassend goed werk. Ik stuurde vervolgens een mailtje naar Han Sieveking, het was 2007, en vervolgens kwam er een gesprek tussen ons. Het eind van het liedje was dat ik werd aangenomen als docent op de Fotoacademie. Op de Fotoacademie is een heel onderwijsprogramma, verzorgd door een team van specialisten en generalisten. Er zijn specialisten op het gebied van modefotografie, het studiowerk, de documentairefotografie, fotoshop en de combinatie foto-film. Een student op de Fotoacademie doorloopt drie fases: in de eerste fase leert hij/zij de basistechnieken, in de tweede fase kan er worden uitgeprobeerd en de derde fase wordt de student geholpen zijn eigen richting te vinden. Ik was / ben docent voor de derde fase. Mijn terrein is generalistisch. Ik heb de opdracht studenten te begeleiden bij hun ontwikkeling tot eigenheid. Het is fascinerend te zien dat mensen zich ontwikkelen, door hun grenzen heengaan en steeds beter worden.”

Kwaliteit

Aloys: Dat is dan toch de leraar in jou. Gaat het je aan het hart als er mensen afvallen? Jaap Bijsterbosch: “Op het moment zelf is het heel vervelend. De studenten krijgen twee maal per jaar een beoordeling. Ze mogen een half jaar overdoen. Lukt het vervolgens niet, dan is het einde verhaal. Zoiets hoort bij elke school.”  “Aan het begin van het jaar moet je als student het studiegeld betalen. Het is bij ons anders dan op de Kunstacademie, waar veel overheidsgeld in zit, wij zijn particulier.” Astrid Verhoef: Hoe is het voor jou om als autodidact les te geven. Je krijgt waarschijnlijk ook van alles mee van de studenten dat je niet wist. “Het is een interessante wisselwerking. De techniek is in al die jaren zo ontzettend veranderd, die is niet meer zoals ik die geleerd heb. Mijn rol is die van algemeen docent. Alhoewel ik het nodige van de technische aspecten weet, verwijs ik voor verdergaande vragen over de techniek naar de specialisten. De crux zit hem in of je kwaliteit herkent. Dat blijft natuurlijk subjectief. Er kunnen clashes zijn met de student op dit punt, het is een beetje ongrijpbaar. Vroeger, op De Moor, voelde ik al ‘Deze jongen / dit meisje heeft talent’. En vele jaren later bleek dat het talent er echt uit was gekomen. Het geldt ook omgekeerd: ‘deze jongen /dit meisje leert het waarschijnlijk nooit’.” Aloys: Is het leuk de student een grens over te trekken? “De student moet het toch zelf doen. Wat ik kan doen is de nodige ruimte scheppen. Maar de ene student vindt het bij de ene docent, en de andere bij de andere docent.”

Vragen uit het publiek

Wat is het grote verschil in aanpak tussen de Fotovakschool en de Fotoacademie?

Jaap: “Ik zit in de toelatingscommissie van de GKf. Je krijgt verzoeken van mensen om lid te worden die de Fotovakschool gedaan hebben, en die de Fotoacademie gedaan hebben. Het werk van de mensen van de Fotoacademie blijkt veel inhoudelijker te zijn. Bij de Fotoacademie is de benadering vooral: ‘hoe raakt iets je’, bij de Fotovakschool: ‘wat moet ik doen om dit resultaat te krijgen’. Overigens is er een gezonde tweestrijd.”

Gerard Til: Ben je momenteel met een leuk project bezig? “Eén van de dingen waar ik mee bezig ben is het maken van een fatsoenlijk archief. Ik word al wat ouder. Ik ben begonnen de analoge foto’s te selecteren en digitaal te reproduceren. Dan heb ik twee projecten in een serie ‘Bijsterboekjes’. De eerste past bij de lopende expositie in Castricum van ‘Nachtgezichten’. Binnenkort komt er een expositie  met een boekje over straatbeelden die zich reflecteren in etalages. Ik woon in Diemen, daar bevindt zich de enige bewaakte spoorwegovergang van de regio Amsterdam. Die verdwijnt binnenkort. Ik zoek contact met Prorail om er iets mee te doen. Ik krijg regelmatig verzoeken: ‘Heb je niet een foto van een spoorlijn in de provincie Utrecht in de jaren ‘90’.”  

Astrid Verhoef: Wat is precies jouw rode draad. Ik zie documentairefotografie, spelen met licht en warmte, veel zelfportretten, de nachtbeelden. Een grote verscheidenheid. “Ik ben begonnen met foto’s die ik tijdens reizen maakte. Dat doe ik nog steeds. Ik heb mezelf nooit als documentair fotograaf beschouwd. Het ging en gaat me meer om de atmosfeer van een land. Dat kun je een rode draad noemen. Wat de zelfportretten betreft, soms lig je op reis op bed en weet je niks beters te bedenken dan ‘laat ik eens een zelfportret maken’. Overigens, in de beeldende kunst is het normaal dat iemand zich met van alles en nog wat bezig houdt. Zo heb ik ook een aantal belangstellingssferen.”

Laatste vraag: Hoe ben je op de naam oogenblik voor je site gekomen (http://oogenblikjaap.blogspot.com/)? 

Jaap, tot slot: “Het gaat niet alleen om het oog, maar ook om de blik, en voor fotografen nog meer om het ogenblik.”

Aloys: Onze dank gaat uit naar Jaap Bijsterbosch.

Foto's: 1-3 en 5-6) Astrid Verhoef, 4) Jaap Bijsterbosch

Reageren